Enquêtes en Interviews

Enquêtes zijn niet meer weg te denken uit onze samenleving. Ze zijn er in verschillende soorten: telefonische enquêtes, face-to-face enquêtes, postenquestes, internetenquêtes en e-mail enquêtes. Meestal speelt de computer een belangrijke rol bij het stellen van de enquêtevragen. Maar wanneer doen we een enquête? Je doet een enquête wanneer het in jouw onderzoeksvraag of deelvragen gaat om opinies, houdingen, motieven, wensen of toekomstplannen bij een nauwkeurig bepaald domein van personen. Bovendien worden in een enquête vaak vragen naar gedrag meegenomen. Op deze pagina vindt je tips & tricks rondom het afnemen van enquêtes en interviews.

Operationaliseren: vertaal je onderzoeksvraag naar iets meetbaars

Je bent al zover dat je een onderzoeksvraag met deelvragen hebt opgesteld voor jouw onderzoek. Nu is het noodzaak dat je de deelvragen gaat omzetten naar meetbare aspecten. Stel je wilt het abstracte begrip ‘studiemotivatie’ meten, dan moet je dit begrip eerst vertalen in concrete meetbare kenmerken. Het begrip studiemotivatie kan voor iedereen iets anders betekenen en daarom moet het gemeten worden aan de hand van vooraf vastgestelde indicatoren. Het vaststellen van indicatoren heet operationaliseren. Wanneer je alleen feiten wilt weten, bijvoorbeeld ‘Welke studie volg je?’, is operationaliseren niet nodig.

Het operationaliseringsproces begint met een definitie van het te operationaliseren begrip.

Begrip Definitie
Studiemotivatie De gedrevenheid tot het volgen van een studie.

Gebruik hierbij literatuur die relevant is voor jouw onderzoek. Iemand die zeer gemotiveerd is voor zijn studie zal zijn studie aantrekkelijk vinden en er veel plezier aan beleven, geen andere studie willen en wil zeker niet stoppen. Deze kenmerken vormen de indicatoren voor het meten van studiemotivatie.

Begrip Operationaliseren Indicatoren
Studiemotivatie –>  

  • Aantrekkelijkheid van studie
  • Andere studie
  • Stoppen
  • Studieplezier

Op het moment dat een begrip vertaald is in meetbare kenmerken, indicatoren, spreken we niet meer over een begrip, maar over een variabele. Je hebt de indicatoren straks nodig met het opstellen van de vragenlijst.

Onderzoekspopulatie
De volgende stap is het vaststellen van je onderzoekspopulatie. Dit zijn de personen op wie jouw onderzoeksvraag betrekking heeft en dus ook de personen die deel moeten gaan nemen aan het onderzoek. De onderzoekspopulatie omschrijf je uitgebreid in jouw profielwerkstuk. Wil je bijvoorbeeld smartphone gebruik onder jongeren onderzoeken? Leg dan uit wie deze jongeren zijn. Dit kun je doen aan de hand van de leeftijdscategorie (bijvoorbeeld tussen de 16 en 20 jaar) maar ook aan de hand van geografische waarden; bedoel je de jeugd uit Noord-Holland of heel Nederland? Wees concreet.

Wanneer de populatie goed is omschreven, ga je bekijken of de populatie in zijn geheel kan worden onderzocht. Een populatie bestaat uit elementen. Als je middelbare school leerlingen uit klas 4C als onderzoekspopulatie neemt en in deze klas zitten 27 leerlingen, dan bedraagt het aantal elementen in deze populatie 27. Bij een populatieonderzoek onderzoek je álle elementen van de populatie. Wanneer de populatie klein is en alle elementen of personen goed te benaderen zijn, kun je een populatieonderzoek uitvoeren. In het voorgaande voorbeeld van 27 leerlingen zou je dus een populatieonderzoek kunnen doen.

TIP: Als de populatie kleiner is dan honderd, doe dan een populatieonderzoek.

Meestal lukt het niet om een populatieonderzoek uit te voeren. De populatie is vaak veel te groot en als onderzoeker heb je niet de tijd en de financiële middelen om alle elementen te onderzoeken. Daarnaast zijn meestal niet alle elementen van de populatie bekend.

Wat je in zo’n geval doet; je gaat een steekproef trekken.

De introductiebrief

Nog voordat de enquête begonnen is, maakt de respondent al kennis met een belangrijk onderdeel van het onderzoek: de introductie of de inleiding. Begin een enquête altijd met een duidelijke inleiding. Daarmee bedoelen we dat het voor de respondent duidelijk wordt wat het doel is van het onderzoek en wat er van de respondent gevraagd wordt.

Wil je een enquête met een professionele uitstraling? Dan dienen er geen spelfouten in de introductiebrief t te staan. Daarnaast moet de zinsopbouw goed zijn, zodat de lezers niet afhaken tijdens het lezen van de introductietekst. Ook moet er goed gekeken worden naar de formaliteit van de tekst. Neem je een hele formele enquête af of is de context wat informeler? Dit bepaalt of je ‘u’ of ‘je’ moet gebruiken in de tekst. Dit geldt niet alleen voor de introductie, maar ook voor de verdere vragenlijst in de enquête.

Een introductie hoeft helemaal niet zo lang te zijn: een paar zinnen is voldoende. Kies voor ongeveer drie of vier zinnen, of voor enkele korte alinea’s. Maak er geen heel boekwerk van: dat ontmoedigt de respondent om de vragen in te vullen.

Wat vermeld je in de introductiebrief?

Naam onderzoeker/student

Allereerst vermeldt de onderzoeker zijn of haar naam of de naam van het bedrijf of organisatie die de onderzoeker vertegenwoordigt. Studenten schrijven hier aan welke opleiding ze verbonden zijn, op welke faculteit en op welke universiteit, hogeschool of middelbare school zij studeren. Ook vermeldt de student wie de contactpersoon van de opleiding is (vaak de docent of professor).

Tijdsduur

Hoeveel tijd het onderzoek gaat kosten is een zeer belangrijk onderdeel van de introductietekst. De respondent moet op de hoogte worden gesteld van het tijdsbestek dat de enquête gaat innemen.

Het doel van de enquête

Het is erg belangrijk het doel van de enquête te vermelden. Waarom wordt dit onderzoek uitgevoerd? Waarom is het voor de onderzoeker zo belangrijk dat de respondent de tijd neemt het onderzoek in te vullen? Maak duidelijk wat jij als enquêteur probeert uit te zoeken. Het blijkt dat de bereidheid de enquête in te vullen groter is, als duidelijk wordt gemaakt dat dit onderzoek van groot belang is. Logisch: mensen willen graag het gevoel hebben dat ze aan iets belangrijks hebben bijgedragen.

Meer over de reacties

Vertel wat er gebeurt met de reacties: hoe worden ze opgeslagen, en hoe lang? En hoe maakt iedere reactie afzonderlijk van elkaar verschil? Kortom: waarom moet de respondent echt meedoen?

De privacy van respondenten

Met de komst van de Algemene Verordening Gegevens (AVG) is het belangrijk dat er ook rekening wordt gehouden met de privacy. Leg dus uit dat het onderzoek anoniem zal worden uitgevoerd en dat de enquêteur vertrouwelijk zal omgaan met de ingevulde gegevens. Vraag niet om een naam, adresgegevens en dergelijke gegevens. Wel kan er gevraagd worden om het opleidingsniveau, de leeftijd of andere relevante zaken voor het onderzoek. Als een vraag niet direct belangrijk is voor het onderzoek, laat deze dan achterwege.

Mogelijke instructies

Geef eventueel ook relevante instructies: hoe moet dit onderzoek worden beantwoord? Hoe werkt een schaal? Onderzoekers kunnen dit al vooraf aangeven, maar dat hoeft niet. Soms is het beter de instructies per vraag te geven. Dan is meteen duidelijk wat er van de respondent verwacht wordt en hoe de vraag gesteld wordt.

Waardering en bedanken

In de introductietekst is het netjes om de respondenten te bedanken voor het invullen van de enquête.

Steekproef trekken
In je populatieomschrijving heb je zo precies mogelijk aangegeven welke groep mensen je gaat onderzoeken. Wanneer je een steekproef trekt, kies je een klein gedeelte van de populatie en alleen bij dát gedeelte doe je het onderzoek. Let er echter op dat er binnen een populatie deelpopulaties kunnen zijn die van elkaar verschillen, dit noem je strata (bijvoorbeeld mannen versus vrouwen).

Je moet ervoor zorgen dat alle strata in de populatie in dezelfde verhouding aanwezig zijn in de steekproef zodat de samenstelling van de steekproef een precieze afspiegeling vormt van de samenstelling van de populatie.

De grootte van je steekproef kun je bepalen door middel van een formule. Deze is echter complex. Ben je niet zo behendig in rekenen dan kun je ook uitgaan van honderd respondenten per stratum.

Non-respons
Je kunt een steekproef nog zo zorgvuldig samenstellen, in de sociale wetenschappen stuiten we regelmatig op het probleem van de non-respons. Dit betekent dat bepaalde groepen in de populatie geen antwoord willen of kunnen geven. Als gevolg van deze zogenoemde non-respons heb je geen representatief beeld van de populatie verkregen. Ook al is je steekproef groot genoeg om de betrouwbaarheid te waarborgen, je hebt geen goede afspiegeling van de gehele populatie gekregen. Non-responsproblemen kun je verhelpen voor extra elementen (personen) te trekken uit de deelgroepen waar de non-respons hoog is.

Welke enquêtevorm kies je?
Er zijn persoonlijke en onpersoonlijke enquêtevormen.

PERSOONLIJKE ENQUÊTES 

Bij de persoonlijke enquêtevorm is er persoonlijk contact tussen een interviewer en een respondent. De interviewer heeft een vragenlijst waaruit hij/zij de vragen voorleest.

De meest voorkomende persoonlijke enquêtevormen zijn:

–        Huis-aan-huisenquête

–        Straatenquête

–        Telefonische enquête

Huis aan huis enquête

Een huis-aan huisenquête wordt afgenomen bij de respondent thuis. Bij voorkeur maak je voor het bezoek telefonisch een afspraak of stel je de onderzoeksgroep per brief op de hoogte van het feit dat er op een bepaalde datum en tijd iemand langskomt voor een interview. Deze vorm van enquêteren geeft veel ruimte voor lange gesprekken. Je kunt onderwerpen toelichten en doorvragen. De respondent voelt zich op haar gemak omdat ze in haar eigen omgeving is.

Wel kan het lukraak aanbellen bij mensen en vragen of zij enquêtevragen willen beantwoorden leiden tot een grote non-respons waardoor de representativiteit van je onderzoek gevaar loopt.

Straat enquête

Een straatenquête wordt afgenomen op een plaats waar mensen samenkomen. Dat kan op straat zijn, maar ook in een winkelcentrum. Als je een vragenlijst afneemt tijdens een beurs, noemen we dat ook een straatenquête. Je gaat bij deze enquêtevorm naar een plaats, waarvan je verwacht dat je respondenten daar samenkomen. Wanneer je de juiste plaats hebt gekozen, zullen er veel potentiële respondenten zijn. Zorg bij een straatenquête voor een korte vragenlijst. Je mogelijke respondenten zijn daar niet om vragen te beantwoorden.

Straatenquêtes leiden vaak tot een lagere aselectiviteit van de steekproef. Vermeld in je eindrapport waarom je voor een straatenquête hebt gekozen ondanks het verlies aan aselectiviteit.

Telefonische enquête 

Een telefonische enquête is een goede onderzoeksvorm als je grote algemene groepen onderzoekt. Controleer bij telefonische enquêtes of de verschillende (deel) populaties telefonisch te bereiken zijn. Er zijn mensen met ongeregistreerde mobiele telefoonnummers of helemaal geen telefoon. Hou de verwachte non-respons en de representativiteit van het onderzoek in de gaten.

Validiteit

In het geval van persoonlijk contact tussen degene die de vragenlijst afneemt en de respondent kan onbedoeld sprake zijn van afleiding en/of beïnvloeding van de ondervraagde. Een respondent kan door uiterlijk, reacties of houding van de interviewer antwoorden geven die niet haar eigen mening weerspiegelen. Je hebt dan een validiteitsprobleem. Je meet dan iets anders dan je wilt meten. Je onderzoek is dan voor niets geweest. Ben je persoonlijk zeer bij het onderwerp van het onderzoek betrokken, laat dan een onafhankelijk persoon de interviews afnemen. Zo kun je een neutrale opstelling van de interviewer waarborgen.

Tip: Oefen het interview eerst op camera. Kom je neutraal over? Zorg je niet voor afleiding door bijvoorbeeld met je been te wiebelen?

ONPERSOONLIJKE ENQUÊTES

Naast de persoonlijke vormen van enquêteren kennen we ook de onpersoonlijke vorm. Hierbij is geen direct contact tussen de interviewer en de respondenten. Voorbeelden van onpersoonlijke enquêtevormen zijn:

–        Online enquête

–        Schriftelijke vragenlijst per post

De meest gebruikte methode van tegenwoordig is de online enquête. Je maakt een digitale enquête waarbij je een (unieke) link stuurt naar je doelgroep die vervolgens vanachter hun computer de vragenlijst invult en opstuurt. Voordeel: Het is de goedkoopste methode, mede omdat je er weinig mankracht voor nodig hebt. Daarnaast zie je direct het resultaat en kun je zelfs al tussendoor voorlopige analyses maken van de tot dan toe verkregen reacties. Een nadeel is de anonimiteit. Doordat mensen het onderzoek anoniem vanachter hun computer invullen, weet je niet zeker of degene aan wie je de link gestuurd hebt daadwerkelijk het formulier invult. En hoewel de kans op sociaal wenselijke antwoorden kleiner is, loop je tegelijkertijd wel het risico dat mensen de enquête klakkeloos invoeren om kans te maken op de prijs.

Tip: Verstuur een herinnering als blijkt dat de respons achterblijft. Normaliter dient de beoogde steekproefgrootte binnen ongeveer 3 dagen binnen te zijn.

De keuze voor een enquêtevorm wordt mede bepaald door de mate van complexiteit van het te behandelen onderwerp, de bereikbaarheid van de beoogde respondenten en de beschikbare verwerkingsmogelijkheden. Elke enquête vorm heeft bijbehorende voor- en nadelen met betrekking tot de representativiteit, validiteit , betrouwbaarheid en non-respons

De vragenlijst
Nu kun je beginnen met het maken van de vragen voor de vragenlijst. Het maken van vragen wordt vaak onderschat. Het lijkt zo makkelijk om even een paar vragen op papier te zetten. De praktijk wijst uit dat het maken van vragen erg moeilijk is. Onduidelijk geformuleerde vragen leveren onduidelijke antwoorden op. Wat overduidelijk is voor de vragensteller, kan wartaal zijn voor de respondent.

OPEN EN GESLOTEN VRAGEN

Een open vraag is een vraag waarbij de respondent zelf het antwoord formuleert. De respondent krijgt bij open vragen alle ruimte om haar eigen interpretatie van de vraag weer te geven. Meestal krijgt een onderzoeker een scala van antwoorden op een open vraag en is het lastig deze gegevens goed te rubriceren en te verwerken. Bij een gesloten vraag kan de respondent uitsluitend kiezen uit voorgeformuleerde antwoorden. Zij kiest dan het antwoord dat het beste bij haar past. Gesloten vragen, waarbij de antwoordcategorieën vaststaan, kunnen gemakkelijk verwerkt worden.

Tip: Bij enquêtes van enige omvang kun je het beste gesloten vragen stellen. Dit bespaart je veel tijd in de verwerkingsfase.

Het nadeel van gesloten vragen is dat er geen ruimte is voor nuanceringen en eigen meningen van de respondenten. Hierdoor verlies je mogelijk informatie. Een manier om hiermee om te gaan is het gebruik van de zogenoemde half-open vraag. De antwoorden die je redelijkerwijs kunt verwachten, formuleer je zelf, zoals bij de gesloten vragen. Daarnaast neem je bij een halfopen vraag een laatste antwoordcategorie op waar je ruimte laat voor een eigen antwoord. (bijv. ‘anders namelijk…’)

Tip: Wanneer vragen op bepaalde respondenten niet van toepassing zullen zijn, kun je de respondenten doorverwijzen naar een deel van de vragenlijst dat wel op hen van toepassing is. 

AAN WELKE VOORWAARDEN MOET EEN VRAAG VOLDOEN?
  1.     Concreet en specifiek

De vragen moeten concreet en specifiek zijn. Dat wil zeggen dat het duidelijk moet zijn welk onderwerp de vraag precies behandelt en dat er op die vraag maar één, eenduidig antwoord kan worden gegeven. Concrete en specifieke vragen voldoen aan bepaalde eisen, te weten: eenheid van tijd, eenheid van plaats en eenheid van hoeveelheid. Er zijn grofweg drie manieren om de vraag concreet en specifiek naar tijd, plaats en hoeveelheid te krijgen.

  • Door een inleiding: Maak een korte inleiding voorafgaand aan de vraag waarin je onderwerp afbakent.
  • Door de vraag zelf: Korte vragen zijn bijna altijd beter te begrijpen dan lange. Bij lange vragen worden vaak veel bijzinnen gebruikt waardoor het niet altijd meer duidelijk is waar de vraag over gaat. Behandel elk subonderwerp daarom in een aparte vraag.
  • Door de antwoordcategorieën: Je kunt gesloten antwoordcategorieën gebruiken bij je vragen.

Voorbeeld van gesloten antwoordcategorie:

Hoe vaak eet je groente?

o   Nooit

o   1 x per maand

o   1 x per week

o   Elke dag

Wanneer je niet zeker bent of alle mogelijke antwoorden vertegenwoordigd zijn in je antwoordcategorieën kun je een antwoordmogelijkheid ‘anders’ toevoegen. Deze antwoordcategorie geeft je de mogelijkheid om te registreren of er veel respondenten zijn die wat anders antwoorden dan jij van tevoren voor mogelijk had gehouden.

Tip: Goede voorbereiding en proefdraaien met minimaal drie respondenten geeft inzicht in de juistheid van de antwoordcategorieën.

In sommige gevallen moet de respondent het antwoord schuldig blijven. Voor die gevallen is de categorie ‘Weet niet’ of ‘Geen mening’ bestemd. Probeer deze categorie wel zoveel mogelijk te vermijden. Met dergelijke antwoordmogelijkheden geef je vermoeide of minder geïnteresseerde respondenten de kans zich er gemakkelijk van af te maken, terwijl ze wel degelijk een mening hebben.

  1.     Is de vraag goed te beantwoorden?

Een vraag moet zo geformuleerd zijn dat de respondent de vraag goed begrijpt en moeiteloos kan beantwoorden. Er moet voldoende informatie in de vraag staan om duidelijk te maken waar het precies over gaat. Ga er niet van uit dat bij de respondenten alle details van het onderwerp van onderzoek bekend zijn. Wanneer de respondent de vraag niet begrijpt, zal ze maar iets antwoorden om ervan af te zijn en heb je niet haar werkelijke mening gemeten. Zorg er ook voor dat iedere vraag slechts één onderwerp behandelt.

Voorbeeld: Na het afnemen van het tentamen sociologie wordt een aantal vragen aan de studenten voorgelegd. Eén van de vragen is:

Vond je het tentamen lang en moeilijk?

Antwoord: ja en nee.

Dit is een fout gestelde vraag waarin twee vragen worden gesteld. Op beide vragen kan een ander antwoord verschijnen.

Stel positief geformuleerde vragen. Bij vragen met een ontkenning erin zal een respondent meer moeten nadenken voordat ze het antwoord kan geven. Je verhoogt je kans op een valide antwoord wanneer je een vraag met een ontkenning omzet in een vraag zonder ontkenning.

Voorbeeld:

FOUT: Ik heb geen plezier in mijn hobby. Eens of oneens?

GOED: Ik heb plezier in mijn hobby. Eens of oneens?

  1.     Neutraal en niet-leidend

Jij als maker van de enquêtevragen hebt ook jouw eigen mening en opvattingen over het te onderzoeken onderwerp. Zorg ervoor dat jouw mening nooit in de vragen doorklinkt.

Voorbeeld: Vindt u ook dat ouderen vaak eenzaam zijn?

Je gaat er bij deze vraag al van uit dat ouderen eenzaam zijn.

De respondent wordt in de richting van een bepaald antwoord geleid. De vraag is niet neutraal omdat de respondenten door de vraagstelling beïnvloed wordt en geen ruimte krijgt om haar eigen antwoord te geven. In dit geval spreken we van een leidende of sturende vraag. De reden dat een vraag sturend en niet-neutraal is kan liggen aan de formulering van de vraag, maar ook aan de formulering van de antwoordcategorieën.

Voorbeeld: Bij een gezellige bijeenkomst hoort:

o   Jenever

o   Bier

o   Rode wijn

o   Gin

o   Port

De enquêteur vindt duidelijk dat er bij gezellige bijeenkomsten uitsluitend alcoholische dranken horen.

  1.     Taalgebruik

Jongeren hebben een ander woordgebruik dan ouderen. Bepaalde subculturen hebben bijna een eigen taal. Iedere beroepsgroep heeft zijn eigen jargon. Op basis van je populatieomschrijving heb je meestal een redelijk inzicht in wie je respondenten gaan worden en welk taalgebruik je daarbij kunt verwachten.

TIP: Lees media, platforms en bekijk vlogs die jouw respondenten ook zien. Kijk naar het taalgebruik en de stijl. Maak gebruik van dezelfde taal en stijl voor het formuleren van de vragen voor je enquête.

  1.     Jargon

Wanneer de populatie bestaat uit een specifieke (beroeps)groep met eigen vakjargon zul je je moeten verdiepen in dat jargon. Als je specialisten aanspreekt in hun eigen vaktaal, zullen zij de vragen serieus nemen en ze dus ook serieus beantwoorden. Een vragenlijst die veel vakjargon bevat, moet altijd nagekeken worden door iemand die goed thuis is in dat gebied.