Goede onderzoeksvraag

Een goed onderzoek begint met een goede vraag. Om een goede vraag te kunnen stellen, is het wel nodig dat je al het een en ander van het onderwerp weet. Lees je dus eerst goed in. Verder is het belangrijk dat je het onderwerp goed kan afbakenen. Daarnaast is het belangrijk dat er een antwoord op te vinden is aan de hand van een experiment of bronnenonderzoek. Een goede onderzoeksvraag is een open vraag.

In de praktijk blijkt meestal dat de onderzoeksvraag gaandeweg nog wordt bijgesteld. Redenen kunnen zijn dat de oorspronkelijke vraag toch niet onderzoekbaar is, of tijdens het onderzoek blijkt een andere onderzoeksvraag interessanter. Blijf daarvoor tijdens het profielwerkstuktraject goed observeren en nadenken over wat je eigenlijk aan het onderzoeken bent en wat dit betekent, en haal de bijzonderheden uit je meetgegevens en waarnemingen.

Het is wel belangrijk om in het begin een zo goed mogelijke onderzoeksvraag vast te stellen, dat draagt erg bij aan een haalbaar PWS en geeft richting aan je inspanningen.

Een goede onderzoeksvraag voldoet aan de criteria:

  1. Haalbaar (Feasible): Beantwoordbaar binnen de randvoorwaarden
  2. Overdraagbaar (Transferable): Eenduidig en daarmee overdraagbaar
  3. Interessant (Non obviousness): er moet gerede twijfel over het antwoord zijn
  4. Ethisch verantwoord: het antwoord en het proces mag niemand en niets schaden
  5. Voldoende uitdagend
  6. Relevant: Je kunt iets met het antwoord, bijvoorbeeld het nemen van een beslissing. (handig om te hebben)
  7. Gaat over jouw interesses of vaardigheden: geeft je gelegenheid om ervaring op te doen met een onderwerp en vaardigheden op te bouwen (handig om te hebben)

Onderzoeksvragen verschillen in hoeveel moeite je moet doen om het antwoord te vinden. Zorg dat je vraag niet te gemakkelijk is, dan kun je meestal toe met een slordig onderzoek waar weinig tijd in gaat zitten, en dat is eigenlijk niet zo leuk. Vragen waar je met ja of nee op kunt antwoorden zijn vaak te gemakkelijk. Antwoorden met meer detail zijn nuttiger om beslissingen mee te nemen.

Het wordt aangeraden om een open vraag te formuleren, dat zijn vragen waarin de woorden “wat is het verband tussen”, “wat is de relatie tussen”, “wat is de samenhang tussen”, “in hoeverre” etc. voorkomen. Vermijd de werkwoorden “kunnen” en “zouden”, vragen daarmee zijn meestal te beantwoorden met ja/nee. Dit soort vragen is te gemakkelijk te beantwoorden en levert te weinig diepgang in je profielwerkstuk op. Vermijd de werkwoorden “moeten” en “willen” omdat daar subjectieve oordelen in zitten.

Bedenk vooraf hoe je antwoord op de onderzoeksvraag er ongeveer uit gaat zien, dat helpt bij het opstellen van een goede vraag.

In de downloads-sectie op deze pagina, vind je een checklist waarmee je kunt controleren of jouw onderzoeksvraag voldoet aan deze criteria (tabel staat hierboven)

Voorbeelden

“Is roken slecht voor je?”


Deze vraag is te aspecifiek

Dit is een gesloten vraag (een ja/nee-vraag)

“Wat is de invloed van roken op de maximale zuurstofopname (VO2max) in jongeren?”

Deze vraag is specifiek

De vraag is open

Deze vraag is te beantwoorden door middel van een experiment

De begrippen “roken”, “maximale zuurstofopname” en “jongeren” moeten nog nader worden gedefinieerd.